Meeste onderwijzers geloven in neurofabels zoals leerstijlen

Niet minder dan 80% van de docenten op Nederlandse basisscholen, middelbare scholen en MBO’s gelooft in neurofabels zoals leerstijlen (van bijv. Kolb). Hetzelfde doet zich voor in andere landen zoals Spanje en Duitsland. Veel docenten zijn er heilig van overtuigd dat onderwijs dat aansluit op de voorkeursleerstijl van een leerling leidt tot betere prestaties. Deze opvatting is echter in strijd met de consensus onder wetenschappers m.b.t. leerstijlen. Zij nemen deze betere prestaties namelijk niet waar in hun onderzoeken.

Toch zijn dit soort neurofabels hardnekkig, vooral in het onderwijs. Emeritus hoogleraar neuropsychologie en directeur van het Centrum Brein & Leren, Jelle Joles, vindt dit een zorgelijke ontwikkeling. Volgens hem schaden deze ideeën het onderwijs. Een goede bijscholing voor docenten op dit vlak acht hij daarom zeer wenselijk. Hoogleraar onderwijspsychologie Paul Kirschner van de Open Universiteit vindt dat er een einde moet komen aan het propageren van leerstijlen. Fabels horen volgens hem niet thuis in het hoger onderwijs.

Als onderwijsprofessionals impliciet of expliciet onjuiste kennis gebruiken over het functioneren van de leerling en zijn brein kan dit nadelig inwerken op diens schoolprestaties en op het onderwijsrendement. Jelle Joles, Emeritus hoogleraar neuropsychologie en directeur van het Centrum Brein & Leren

Wat zijn neurofabels eigenlijk? Dit zijn opvattingen over de werking van de hersenen die onjuist zijn ook al klinken ze aardig logisch en plausibel. Deze neurofabels – Jelle Joles noemt ze neuromythen – leiden al jaren een eigen leven. Sinds de jaren 90 zijn de hersenen en de werking ervan ‘hot’ met als gevolg dat de inzichten ook in andere vakgebieden zoals management en onderwijs worden opgepikt.

Verspreiding

Neurofabels verspreiden zich o.a. via de digitale snelweg en via (commerciële) opleiders die zich tevens schuldig maken aan het verspreiden van pseudowetenschap en feitelijk onjuiste informatie. Daar komt bij dat veel studenten en cursisten informatie reproduceren zonder zich af te vragen of de informatie wel klopt en waaruit dat blijkt.

Met kennis heeft dit alles dus niets te maken,. De oud Grieken bezigden hiervoor de term doxa. Doxa (het tegenovergestelde van episteme) wil zeggen dat je iets weet of denkt te weten maar het nooit hebt onderzocht. Plato beschouwde dit als een mening of populaire opinie. Griekse geleerden waren van mening dat iedere doxa onderzocht moest worden totdat het promoveerde tot episteme, iets waarvan je weet dat het echt waar is.

Er is consensus in de wetenschappelijke wereld dat leerstijlen niet bestaan en dat het gebruik ervan leidt vaak tot ongewenste resultaten.

Gebrek aan bewijs

Leerstijlen zijn tegenwoordig big business. Je ziet ze ook steeds vaker terugkomen in trainingen voor het bedrijfsleven. Helaas versimpelen en overgeneraliseren ze wetenschappelijke kennis over het brein of wordt de kennis verkeerd geïnterpreteerd of geciteerd. Dat leerstijlen leiden tot betere schoolprestaties, hogere cijfers en meer leerplezier is door niemand aangetoond en ontkracht door de academische wereld. Onderwijzers kunnen zich enkel op anekdotisch bewijs beroepen, maar ik hoef niet uit te leggen dat anekdotisch bewijs geen bewijs is.

Andere populaire neurofabels:

  • Klassieke muziek luisteren tijdens het studeren verbetert de leerprestaties;
  • We gebruiken slechts 10% van onze hersenen;
  • Inname van vetzuren (omega-3) hebben een gunstig effect op schoolprestaties.

Helaas, het is allemaal niet waar.

Kortom: er is geen enkel fatsoenlijk bewijs voor de populaire gedachte dat doeners, denkers, dromers en beslissers een eigen leerstijl hebben en beter presteren als ze onderwijs krijgen in hun voorkeursstijl. Wel kunnen leerstijlen leiden tot ongewenste effecten zoals onzekerheid en wantrouwen in onderwijzers. Mensen die een leerstijlentest hebben gedaan en de uitslag als absolute waarheid beschouwen lopen het risico hun eigen leervermogen te belemmeren.

Wat wel waar is is dat visuele, auditieve en kinesthetische informatie in verschillende delen van het brein wordt verwerkt. Deze structuren zijn echter allemaal met elkaar verbonden. Informatie vanuit verschillende sensorische modaliteiten wordt continu met elkaar uitgewisseld. Daarom is het niet goed om aan te nemen dat slechts één sensorische modaliteit betrokken is bij de informatieverwerking. Aannemelijk is het juist dat de ontwikkeling erbij gebaat is dat alle sensorische modaliteiten worden gestimuleerd.

Referenties
• Van Gerwen, M., Christoffels, I., Dekker, S., en Jolles, J. (2017). Neuromythen in het mbo. Een vragenlijstonderzoek naar acht veel voorkomende neuromythen. ISBN: 978-94-6052-107-2
• Macdonald, K., Germine, L., Anderson, A., Christodoulou, J. and McGrath, L. (2017). Dispelling the Myth: Training in Education or Neuroscience Decreases but Does Not Eliminate Beliefs in Neuromyths. Frontiers in Psychology, 8.
• Dekker, S., Lee, N.C. & Jolles, J. (2014). Over het vóórkomen en voorkómen van neuromythen in het onderwijs. Neuropraxis, 18(2), 62-66.
• Howard-Jones, P.A. (2014). Neuroscience and education: myths and messages. Nature Reviews Neuroscience.
• King, A.J. (2004). Development of multisensoryspatial integration. In C. Spence & J. Driver(Eds.),Crossmodal space and crossmodal attention.New York: Oxford University Press.

Selwyn Donia

Selwyn Donia

Hybride ondernemer & bevlogen kennisdeler ● Lettervreter pur sang ● Inspireert en ontwikkelt ● Cut the crap ● Voormalig club- en radio-DJ (Radio Decibel & Dolfijn FM Curaçao)